Eerste steen

Alles is een begin. Dus is alles ook een einde?
Moeten we het daarover hebben? Moeten we het hebben? Moeten we?
Wacht wacht. Zullen we anders? Ja. Laat ons.
Is het te open? Dan gaat het niet meer dicht.
Neen, doe maar dichterbij, dat laat meer sporen achter. Wacht.
Ik hoor iets. Een piep. Een ruimte.

Het zonlicht maakt zich diffuus ongrijpbaar, spiegelt van beneden naar boven.

Traagheid kruipt in de koude rand van de ruimte, in de periferie van een blik. 
Waar intentie een beweging is, en mimiek altijd misbegrepen.

Niets doen is ook iets doen. Niets doen is ook iets doen.

Wanneer duurt het te lang?

Laten we anders? Allemaal naar boven kijken. Maar niet tegelijk.
Wacht. Hier.
Waar? Daar. 
Waar is dat? Hier.
Nu, bedoel je? Ja, zonet.
Nee. Nu. Nu, nu, nu, nu. Nu. Nu. Nu.

Nu ben ik opeens zo naakt. Exposed. Ontmaskerd.
Ik besta niet meer louter in iemand anders’ verbeelding. Waar sta ik? Nu?

We converseren met het onbekende, onbegrensde.
Het voorzichtige zeggen dat bang is 
Om gezegd te hebben.

Ontmantelen begint bij vol maken, volmaken.
De vliesvleugels van eindeloze mogelijkheden die naar hetzelfde punt afbuigen.

Soms is ruimte een ritme.
Soms is ritme een ruimte.


TWEEDE STEEN

Soms is taal een lichaam.
Soms is een lichaam taal.
Take time. Give it time.
Where are we timewise? Are we? Timewise?
Tsj tsj tsj tsj

Zelfs als er niets verandert, verandert er iets.

Op wie wacht je? Of wacht je op hoe?
Met gekruiste benen en tokkelvingers.

Is dit een statement?

Drie spiegels op de vloer als voetsporen.
Ze lopen van ik naar wij.

We kijken, allemaal. Wie kijkt er terug?

Het zou ook allemaal over onze hoofden zijn gewaaid als we niet.
Wie niet? 


DEUR


We werpen een stelling op die niet om een antwoord vraagt, die geen antwoord verdraagt.


Het regent en het waait maar buiten schijnt de zon, dat weet je want je hebt het kunnen zien.

In de rand mag er worden nagedacht, ook, dat ook.
Hoe kunnen we daar taal aan geven? Wat zijn we meer dan huid en botten.
Eerst moet alles technisch kloppen.

Er kan altijd nog iemand bij. De lichamen staan en liggen en hangen, hoofden zijn verdwenen.

Kabels, blokken, verdeelstekkers, plastic, tissue, mens, tegel, licht, camera, gordijnen, rugzak, jas, drinkfles, paasei, koffiethermos (hangend), glazen, koppen, stiften, mengpaneel, kabel groen, kabel blauw, speakers, statief, systeem.

Deze spiegel zal nooit meer proper worden.
Derde steen, waar stilte leegte mag zijn. 
Sound on.
De expositie is voorbij vervlogen.
Weg van het verhaal. De harde grens, het wenken.
Wat met vermoeden? Wat met zonder?

Het langgerekte lichaam van 

Waar kan nog het licht en het lichte, het lichte licht dat mensen buigt
als een verhaal in lijnen, de vorm die ons belichaamt

Moeten alle deuren dan niet open? 

Wegschrapen, beeldhouwen, we zitten in een feedbackloop.
De beelden vragen niets in ruil.
Dit is niet één gedachte, dit bouwt en breekt en reflecteert.

De vrijheid van beperking.
Beperking van de vrijheid.
In de tijd.
Het is net echt.

Hoor jezelf ademen, ondraaglijk diep
Donder kan je nadoen met iets zwaars, eender wat zolang het maar concreet is
en iets anders aanraakt.

Zie jezelf draaien traag en hopeloos integer.
Er zijn geen andere uitgangen nodig.
Tenzij we ze construeren, zal ik voor u een context bouwen? 
Waarin u kan denken zonder doen?

Waar is het begonnen? We moeten samen eten.

Je weet toch dat je wordt bekeken, het zwart is een frame.

It grows on you.
It writes its own rules.

Zoeken naar het middelpunt, de lange haal, een postuur om jezelf tentoon te stellen.

Alles is een einde. 

En wij is ik en is ook wij en weer terug.